Logo
  • Opinie
  • 18 december 2015

Transitievergoeding niet bij beëindigingsovereenkomst

Als een arbeidsovereenkomst, die ten minste 24 maanden heeft geduurd, op initiatief van de werkgever wordt beëindigd, is doorgaans een transitievergoeding verschuldigd.

In de toelichting bij de Wet Werk en Zekerheid is expliciet opgemerkt dat de transitievergoeding niet verschuldigd is wanneer de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden wordt beëindigd door middel van een beëindigingsovereenkomst / vaststellingsovereenkomst.

In de volgende zaak hebben de werkgever en werknemer een beëindigingsovereenkomst gesloten zonder dat de werkgever een transitievergoeding hoeft te betalen. De werknemer komt er pas na het tekenen van de overeenkomst achter dat hij aanspraak zou hebben gemaakt op een transitievergoeding als de arbeidsovereenkomst zou zijn opgezegd of ontbonden. De werknemer vordert in rechte alsnog betaling van de transitievergoeding. Te laat, of toch niet?

Casus

Werknemer is in augustus 2012 in dienst getreden van werkgever. Partijen hebben een beëindigingsovereenkomst gesloten, welke op 20 juli 2015 is getekend.

In de beëindigingsovereenkomst staat onder andere dat:

  • tussen partijen een verschil van inzicht is ontstaan die dusdanig ernstig is dat het dienstverband dient te eindigen;
  • het dienstverband op initiatief van werkgever wordt beëindigd;
  • er geen dringende reden ten grondslag ligt aan de beëindiging;
  • partijen elkaar finale kwijting verlenen; en
  • werknemer het recht heeft deze overeenkomst binnen 14 dagen te ontbinden.

Vordering werknemer

Werknemer vordert (na)betaling van de transitievergoeding. Hierbij stelt werknemer in de eerste plaats dat werkgever de arbeidsovereenkomst feitelijk heeft opgezegd. In de tweede plaats stelt werknemer dat werkgever hem had moeten wijzen op zijn recht op een transitievergoeding.

Oordeel kantonrechter

Voordat de kantonrechter ingaat op de stellingen van werknemer, wijst hij erop dat per 1 juli 2015 – naast het sluiten van een beëindigingsovereenkomst – de mogelijkheid voor een werknemer bestaat om in te stemmen met de opzegging van de werkgever. Het verschil tussen het sluiten van een beëindigingsovereenkomst en het instemmen met een opzegging is klein, maar juridisch gezien wel van (groot) belang. Bij het instemmen met een opzegging is namelijk wel een transitievergoeding verschuldigd en bij het sluiten van een beëindigingsovereenkomst niet.

De kantonrechter begrijpt de stellingen van werknemer dan ook zo dat werknemer meent dat hij heeft ingestemd met de opzegging van werkgever en dus recht zou hebben op een transitievergoeding.

De kantonrechter volgt de redenering van werknemer niet. De benaming, vormgeving en inhoud van de tussen partijen gesloten overeenkomst wijzen er namelijk op dat partijen met wederzijds goedvinden de arbeidsovereenkomst hebben beëindigd. Uit niets blijkt dat werkgever eenzijdig heeft opgezegd en dat werknemer daarmee eenzijdig heeft ingestemd, aldus de kantonrechter.

Vervolgens komt de kantonrechter bij de vraag of werkgever werknemer had moeten wijzen op zijn recht op een transitievergoeding. Ook op dit punt wordt werknemer niet gevolgd. De kantonrechter is van oordeel dat de Wet Werk en Zekerheid geen algemene spreekplicht voor werkgever heeft geïntroduceerd. Verder merkt de kantonrechter op dat werknemer binnen 14 dagen de beëindigingsovereenkomst (zonder opgaaf van redenen) had kunnen ontbinden. Van dit ontbindingsrecht is geen gebruik gemaakt. Tot slot ziet de kantonrechter geen aanleiding de beëindigingsovereenkomst te vernietigen wegens dwang, dwaling of misbruik van omstandigheden.   

Rechtbank Midden-Nederland 11 december 2015, ECLI 2015:8803

Producttips

Volg HR Praktijk

Word gratis lid en ontvang op dinsdag en donderdag het laatste HR-nieuws in uw mailbox! Én als lid krijgt u ook toegang tot exclusieve online artikelen.