Logo
  • Opinie
  • 10 juni 2020

Geen recht op (gedeeltelijke) transitievergoeding bij herplaatsing in passende functie

Als er sprake is van een substantiële en structurele vermindering van de arbeidsduur, bijvoorbeeld bij een reorganisatie of bij herplaatsing na langdurige arbeidsongeschiktheid, kan de werknemer recht hebben op een evenredige transitievergoeding. Heeft een werknemer die voor dezelfde arbeidsduur is herplaatst, maar met een lager loon, ook recht op een pro rato transitievergoeding? Het Hof Amsterdam stelde daar vragen over aan de Hoge Raad. De Hoge Raad gaf antwoord.

In de Kolom-beschikking heeft de Hoge Raad de pro rato transitievergoeding in het leven geroepen. Als de arbeidsduur, door omstandigheden gedwongen, substantieel en structureel wordt verminderd, dan zou dat niet voor rekening van de werknemer moeten komen. Daarmee zou de werknemer volgens de Hoge Raad namelijk ten onrechte een deel van de transitievergoeding ‘verliezen’.

Volgens de Hoge Raad kan de reden voor de vermindering van de arbeidsduur liggen in bedrijfseconomische redenen of in blijvende gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. De arbeidsduur moet met minimaal 20% verminderen, wil de werknemer aanspraak hebben op een pro rato transitievergoeding. Als laatste is relevant dat de arbeidsduur kan zijn verminderd door:

  • Een gedeeltelijke beëindiging;
  • Geheel ontslag, gevolgd door een nieuwe gedeeltelijke arbeidsovereenkomst;
  • Aanpassing van de arbeidsovereenkomst.

De pro rato transitievergoeding moest worden berekend op basis van de vermindering van de arbeidsduur en het laatstverdiende loon.

Herplaatsing in functie met lager loon

Vanuit de praktijk werd betoogd dat werknemers ook recht zouden hebben op een pro rato transitievergoeding als de werknemer werd herplaatst in een functie met een lager loon, ook als de arbeidsduur niet met minstens 20% werd verminderd. De werknemer zou in dat geval immers ook een deel van de transitievergoeding ‘verliezen’.

De Hoge Raad oordeelde dat inkomensverlies niet relevant is.

In de SIPOR-zaak werd een lerares (1,0 fte) na langdurige arbeidsongeschiktheid herplaatst als onderwijsassistente (0,8 fte). Zij maakte aanspraak op een pro rato transitievergoeding op basis van het totale inkomensverlies. Het Hof Amsterdam oordeelde dat in ieder geval recht bestond op 20% van de transitievergoeding door de vermindering van de arbeidsduur. De vraag of ook het inkomensverlies moest worden meegenomen, werd aan de Hoge Raad voorgelegd.

De Hoge Raad oordeelde dat inkomensverlies niet relevant is. Voor aanspraak op de transitievergoeding is een vorm van ontslag noodzakelijk. Bij herplaatsing in een andere functie, zonder vermindering van de arbeidsduur, is geen sprake van een (vorm van) ontslag. Dan heeft de werknemer geen recht op de pro rato transitievergoeding. Als wel sprake is van een substantiële vermindering van de arbeidsduur, dan is alleen de pro rato vermindering maatgevend voor de aanspraak op de transitievergoeding.

De Hoge Raad maakt hiermee een einde aan de onduidelijkheid.

 

 

Producttips

Volg HR Praktijk

Word gratis lid en ontvang op dinsdag en donderdag het laatste HR-nieuws in uw mailbox! Én als lid krijgt u ook toegang tot exclusieve online artikelen.