Logo
  • Opinie
  • 11 september 2013

Vierde opeenvolgende arbeidsovereenkomst en beëindigingsovereenkomst: geoorloofd?

Het aantal opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd dat een werkgever met een werknemer kan overeenkomen is beperkt. Op grond van artikel 7:668a BW converteert een vierde opeenvolgende arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd immers van rechtswege in een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. In sommige gevallen is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd echter niet wenselijk. In zulke gevallen wordt gezocht naar een oplossing waarmee een werknemer voor bepaalde tijd in dienst kan blijven. Eén van deze oplossingen werd recentelijk getoetst door het Hof Den Bosch.

Een projectleider had reeds drie opeenvolgende arbeidsovereenkomsten voor bepaalde tijd gehad toen hij met zijn werkgever per 18 februari 2011 een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd sloot. Bij deze arbeidsovereenkomst werd tevens een vaststellingsovereenkomst gesloten waarmee de arbeidsovereenkomst per 1 januari 2012
werd beëindigd. Na 1 januari 2012 stelde de projectleider zich echter op het standpunt dat de arbeidsovereenkomst niet was geëindigd. De vaststellingsovereenkomst zou enkel zijn bedoeld om de werking van artikel 7:668a BW te omzeilen, zodat deze nietig was.
Daarnaast was de wil van projectleider bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst niet gericht op het beëindigen van de arbeidsovereenkomst maar op behoud van werk en inkomen.


Vaststellingsovereenkomst is rechtsgeldig

Het Hof stelde voorop dat een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van onzekerheid of
geschil op vermogensrechtelijk gebied, ook geldig is indien zij in strijd blijkt met dwingend
recht. Zou er al sprake zijn van strijd met dwingend recht, te weten– indirecte – strijd met
artikel 7:668a BW, dan is de vaststellingsovereenkomst aldus toch geldig. Dit is slechts
anders indien er sprake zou zijn van strijd met de openbare orde. Dat en waarom sprake
zou zijn van strijd met de openbare orde had de projectleider echter onvoldoende
onderbouwd, zodat dit niet werd aangenomen.


De stelling van de projectleider dat zijn wil bij het sluiten van de vaststellingsovereenkomst niet was gericht op het beëindigen van de arbeidsovereenkomst, maar op behoud van werk en inkomen, werd door het Hof uitgelegd als een beroep op misbruik van omstandigheden.
De door de projectleider gestelde feiten zouden volgens het Hof onder omstandigheden kunnen leiden tot misbruik van omstandigheden op grond waarvan de vaststellingsovereenkomst vernietigbaar is. De projectleider zou daartoe zijn stellingen moeten bewijzen. Omdat de projectleider in de procedure echter geen beroep had gedaan op de vernietigbaarheid van de vaststellingsovereenkomst, kwam het Hof aan een bewijsopdracht niet toe en werden de vorderingen van de projectleider afgewezen.


Een houdbare oplossing?

De door de werkgever in kwestie gehanteerde oplossing is riskant, zo blijkt uit de overwegingen van het Hof Den Bosch. Niet uitgesloten is dat een vaststellingsovereenkomst met als doel het omzeilen van artikel 7:668a BW, strijdt met de openbare orde en derhalve vernietigbaar is. Bovendien kan een werknemer een beroep doen op misbruik van omstandigheden indien hij een beëindigingsovereenkomst enkel ondertekent om een (vierde) arbeidsovereenkomst te kunnen verkrijgen. Zekerheid omtrent de einddatum van de vierde arbeidsovereenkomst is daarmee dus allerminst gegeven.

30 juli 2013, ECLI:NL:GHSHE:2013:3442

Volg HR Praktijk

Word gratis lid en ontvang op dinsdag en donderdag het laatste HR-nieuws in uw mailbox! Én als lid krijgt u ook toegang tot exclusieve online artikelen.